[1] Een psalm van David voor de koordirigent. [2] Luister naar mij, o God, als ik met mijn zorgen bij U kom. Bescherm mijn leven tegen de aanvallen van de vijand. [3] Verberg mij als de misdadigers iets tegen mij beramen, als de zondaars het op mij gemunt hebben. [4] Zij scherpen hun tong alsof het een zwaard is en schieten hun boosaardige taal als pijlen op mij af. [5] Vanuit hun schuilplaats schieten zij op onschuldigen. Niets en niemand ontzien zij. [6] Zij wagen het kwade dingen te doen en spreken er zelfs over valstrikken te zetten. Zij denken dat niemand hen ziet. [7] Zij zijn op slechte dingen uit en zeggen: ‘Nu is het zover, het plan is goed doordacht.’ Ja, het hart van de mens is ondoorgrondelijk. [8] Maar God kan hen onverwacht treffen. Als Hij een pijl afschiet, is het altijd raak, zij zijn gewond. [9] Zij struikelen over hun eigen woorden. Wie hen ziet, schudt misprijzend het hoofd. [10] Dan zullen alle mensen ontzag hebben voor God en voor alles wat Hij doet. Met ontzag zien zij op naar zijn werk. [11] De oprechte mens verheugt zich in de HERE en vindt bij Hem bescherming. Alle eerlijke mensen beroemen zich op Hem.