[1] Een psalm van David, die hij schreef in de woestijn van Juda. [2] God, mijn God, ik zoek U overal, mijn hart dorst naar U. Ook mijn lichaam verlangt naar U in dit dorre, droge land, waar geen water is. [3] Ik heb U in uw heiligdom gezien, ik zag uw kracht en majesteit. [4] Uw goedheid en trouw overtreffen het leven zelf. Ik zal met mijn mond uw naam grootmaken. [5] Mijn leven lang wil ik U prijzen, mijn handen naar U opheffen wanneer ik bid. [6] Er is niets anders waarnaar ik verlang, er komen prachtige lofliederen over mijn lippen, [7] ook ʼs nachts als ik wakker lig en over U nadenk. [8] Want U bent mij altijd te hulp gekomen. Ik jubel het uit vanuit de beschermde plaats waar U mij in leven houdt. [9] Alles in mij richt zich op U. Ik kan niet zonder U, uw hand houdt mij vast. [10] Maar de mensen die op mijn ondergang uit zijn, zullen in de diepte van de aarde worden neergelaten. [11] Zij zullen omkomen door het zwaard en ten prooi vallen aan de wilde dieren. [12] Maar de koning verheugt zich in God, ieder die bij Hem zweert, zal reden tot vreugde hebben en zich op Hem kunnen beroemen, want Hij brengt de leugenaar tot zwijgen.