[1] Een psalm van David, een lied voor de koordirigent. [2] U komt toe dat wij in stille verwondering naar U opzien, o God. Wij willen U in Jeruzalem lofliederen zingen. Geloften willen wij U betalen. [3] U hoort al onze gebeden en alles wat leeft, mag dan ook tot U komen. [4] Het kwaad dreigde mij te overmeesteren, maar U vergeeft mij mijn zonden. [5] Gelukkig is de man die U uitkiest. U laat hem bij U komen en bij U wonen. Al het goede van uw huis zal ons in overvloed ten deel vallen, al het heilige in uw tempel. [6] U antwoordt ons in oprechtheid met grote daden, God, U bevrijdt ons. De hele aarde kan op U vertrouwen, U bent er tot in de verste zeeën. [7] Met uw kracht hebt U de bergen stevig geplant, vastgezet door uw sterkte. [8] U laat de zeeën tot kalmte komen, zowel het bruisen van de golven als het geschreeuw van de volken. [9] Daarom zijn alle mensen, tot in de uithoeken van de aarde, bang voor de tekenen die U doet. Van oost tot west brengt men U eer en lof. [10] U komt naar ons toe en geeft ons land een overvloedige oogst. U maakt ons rijk. De beek van God is gevuld met water. U laat het koren groeien, zoals U alles laat groeien. [11] U geeft het water op de akkers, doordrenkt de voren op het land. Uw regen laat onze gewassen groeien. U zegent de gewassen. [12] Door uw goedheid wordt onze oogst bekroond, U geeft ons overvloed. [13] De rijpe gewassen golven op de akker, de heuvels juichen over U. [14] De vruchtbare streken zijn bezaaid met kudden, in de dalen groeit welig het koren. Heel het land jubelt en zingt. Heel deze overvloed is er dankzij U.