Spreuken 26:1-28 HTB
[1] Eer past net zomin bij een dwaas als sneeuw past bij de zomer en regen bij de oogsttijd. [2] Een ongegronde vervloeking treft geen doel, hij zweeft weg als een mus, vliegt op als een zwaluw. [3] De zweep is er voor het paard, het bit is er voor de ezel en de roe is er voor de rug van de dwaas. [4] Ga niet in op de woorden van een dwaas, anders verlaagt u zich tot zijn niveau. [5] Weerleg de woorden van een dwaas, anders denkt hij misschien dat hij nog gelijk heeft ook. [6] Wie zijn woorden laat overbrengen door een dwaas, maakt het zichzelf moeilijk en berokkent zich schade. [7] Een spreuk in de mond van een dwaas is net zo kreupel als de slappe benen van een verlamde. [8] Wie een steen in de slinger vastbindt, zodat hij niet kan worden geworpen, doet hetzelfde als iemand die een dwaas aanzien geeft. [9] Een dronkaard kan net zomin omgaan met een doorn in zijn hand als een dwaas met een spreuk. [10] Wie dwazen en onbekenden in dienst neemt, lijkt op een boogschutter die in het wilde weg schiet. [11] Zoals een hond terugkeert naar zijn eigen braaksel, houdt de dwaas vast aan zijn onverstand. [12] Hebt u een man gezien die zichzelf als wijs beschouwt? Welnu, van een dwaas mag u meer verwachten dan van hem. [13] De luiaard gebruikt alle mogelijke uitvluchten, desnoods beweert hij dat een gevaarlijke leeuw op straat loopt. [14] Zoals een deur op zijn scharnieren draait, zo draait de luiaard zich om in zijn bed. [15] De luiaard houdt zijn handen liever in zijn zakken, hij is nog te beroerd om ermee te eten. [16] De luiaard acht zichzelf wijzer dan alle verstandige mensen om hem heen. [17] Een voorbijganger die zich in een ruzie mengt die hem niet aangaat, is net zo gevaarlijk bezig als iemand die een hond uitdaagt. [18] Wie zonder aanleiding als een razende zijn pijlen en bedreigingen om zich heenwerpt, [19] is te vergelijken met iemand die zijn naaste bedriegt en dan zegt: ‘Ach, ik deed het toch voor de grap?’ [20] Zonder hout gaat het vuur uit, zo houdt ook de ruzie op als de roddelaar verdwijnt. [21] Zoals kolen het vuur doen opgloeien en hout het vuur laat vlammen, zo laat een ruziezoeker ruzies opvlammen. [22] Naar de woorden van een roddelaar wordt gretig geluisterd. Zij zetten zich vast in het gemoed van de toehoorders. [23] Een boosaardig hart achter vriendelijk klinkende woorden is als een waardeloos voorwerp, overtrokken met een laagje zilver. [24] Wie haatdragend is, laat dat van buiten niet merken, maar in zijn hart gaat heel wat anders om. [25] Geloof zijn smeekbeden niet, want u zou gruwen als u in zijn hart kon kijken. [26] Ook al tracht iemand zijn haatgevoelens te maskeren, zijn kwade voornemens zullen aan het licht komen. [27] Wie een kuil graaft voor een ander, zal er zelf invallen. Wie iemand met een steen wil verpletteren, zal zelf onder die steen terechtkomen. [28] Een leugenaar haat degene tegen wie hij zich keert en gladde praatjes richten een mens te gronde.
