Spreuken 17:1-28 HTB
[1] Een stuk droog brood, in alle rust gegeten, is beter dan een overvloedige maaltijd waar ruzie heerst. [2] Een verstandige knecht heeft zeggenschap over een onverstandige zoon en wordt beloond met een deel van de erfenis. [3] Zilver wordt gezuiverd in een smeltkroes, goud in een smeltoven, maar alleen de HERE weet wat in een mensenhart leeft. [4] Een boosdoener luistert naar kwade plannen en een leugenaar naar leugens. [5] Wie een arme in het nauw drijft of bespot, kwetst op die manier diens Schepper, leedvermaak blijft niet ongestraft. [6] Het sieraad van oude mensen zijn hun kleinkinderen en het sieraad van de kinderen zijn hun ouders. [7] Zoals goede woorden niet passen bij een dwaas, past ook de leugen niet bij een prins. [8] Een geschenk is prettig voor degene die het krijgt, maar ook de gever heeft er voordeel van. [9] Wie fouten vergeeft, maakt vrienden. Maar wie oude koeien uit de sloot haalt, raakt zelfs zijn beste vriend kwijt. [10] Het levert meer op een verstandige te berispen dan een dwaas honderdmaal te slaan. [11] Een onhandelbaar mens koestert kwade plannen, daarom stort God hem in het verderf. [12] Je kunt beter een berin tegenkomen die haar jong kwijt is, dan een dwaas die zijn woede de vrije loop laat. [13] Wie goed met kwaad vergeldt, brengt straf over zichzelf en zijn familie. [14] Het begin van een ruzie is als een dijk die doorbreekt, bemoei u er dus niet mee, voordat u en anderen er in worden gemengd. [15] De HERE verafschuwt wie de goddeloze rechtvaardigt en ook wie de rechtvaardige schuldig verklaart. [16] De dwaas heeft weliswaar geld genoeg om wijsheid te kunnen kopen, maar hij heeft er niets aan. Het ontbreekt hem gewoon aan verstand. [17] Een echte vriend blijft altijd een vriend en in de tegenspoed blijkt de ware vriendschap. [18] Alleen een onverstandige stelt zich met een handslag borg voor zijn naaste. [19] Wie van ruzie en onenigheid houdt, geeft blijk van liefde voor de zonde. Wie boven zijn stand leeft, staat een diepe val te wachten. [20] Wie onbetrouwbaar is, kan niet gelukkig worden. Wie zondigt door wat hij zegt, stort zich in het ongeluk. [21] Wie een zot verwekt, zal dat berouwen en er is weinig vreugde weggelegd voor de vader van een dwaas. [22] Een blij hart doet het lichaam goed, maar een ontmoedigde geest maakt ziek. [23] De goddeloze laat zich omkopen om het recht geweld aan te doen. [24] Een verstandig mens is aan zijn gezicht te herkennen, maar de ogen van een dwaas dwalen alle kanten op. [25] Een onverstandige zoon doet zijn vader verdriet, hij is een bitter verdriet voor haar die hem ter wereld bracht. [26] Het is al niet in de haak een rechtvaardige te beboeten, laat staan een prins te laten slaan. [27] Iemand die zijn verstand goed gebruikt, houdt zijn tong in bedwang, hij is bedachtzaam en scherpzinnig. [28] Want een dwaas die zijn mond houdt, wordt voor wijs gehouden. Zolang hij zijn mond houdt, denkt men dat hij verstandig is.
