Spreuken 14:1-35 HTB
[1] Iedere verstandige vrouw zorgt goed voor haar huishouden en gezin, terwijl dwaze vrouwen dat met eigen handen afbreken. [2] Iemand die oprecht leeft, geeft blijk van eerbiedig ontzag voor de HERE. Wie dat niet doet, veracht Hem. [3] De woorden van een dwaas zijn als een zweep die anderen maar ook de dwaas zelf ranselt. De wijze wordt echter beschermd door wat hij zegt. [4] Als er geen ossen zijn, blijven voederbak en tafel leeg, maar is er wel een os, dan komt er loon naar werken. [5] Een eerlijke getuige zal niet liegen, maar een vals getuige is een bron van leugens. [6] De spotter zoekt vergeefs naar wijsheid, maar de kennis wijst de verstandige de weg. [7] Laat een zot links liggen, want van hem zijn geen verstandige woorden te verwachten. [8] De wijsheid toont een verstandig mens welke weg hij volgen moet, maar het onverstand van de zot brengt hem en anderen op een dwaalspoor. [9] Iedere dwaas zal zijn zonde verbloemen of daar misschien niet zwaar aan tillen, maar oprechte mensen komen eerlijk uit voor wat zij fout deden. [10] Elk hart kent zijn eigen verdriet en een ander kan zijn vreugde niet begrijpen. [11] Alles wat de goddeloze tot het zijne rekent, wordt verwoest. Het bezit van de oprechte zal echter toenemen. [12] Soms denkt iemand op de goede weg te zijn, maar blijkt die naar de dood te voeren. [13] Het hart kan bedroefd zijn, ook al lacht het gezicht, die lach kan eindigen in een traan. [14] Wie God verlaat, zal de gevolgen in zijn leven merken, maar een goed mens is tevreden. [15] Een onverstandig mens kan men alles wijsmaken, maar een schrander mens denkt na bij wat hij doet. [16] De wijze koestert ontzag en laat het kwaad links liggen, de zot is zorgeloos en kent geen angst. [17] Een heethoofd doet snel domme dingen en een man die gemene dingen doet, wordt gehaat. [18] Onverstandige mensen valt dwaasheid ten deel, maar kennis zal de verstandigen sieren. [19] De kwaden moeten buigen voor de goeden, evenals de goddelozen voor de deuren van de rechtvaardigen. [20] Wie arm is heeft niet veel vrienden, maar bij de rijke zijn ze niet te tellen. [21] Wie op zijn naaste neerkijkt, zondigt, maar gelukkig is hij die zich ontfermt over mensen die het moeilijk hebben. [22] Graven kwaadstichters niet hun eigen graf? Maar wie goed doet, wordt gewaardeerd en dankbaar bejegend. [23] Eerlijk en hard werk levert iets op, nutteloos geklets niet. [24] Het sieraad van de verstandigen is hun rijkdom, dwaasheid blijft de dwaasheid van de zotten. [25] Een eerlijke getuige kan levens redden, een vals getuige kan iemand door bedrog de dood injagen. [26] Eerbiedig ontzag voor de HERE geeft een sterk vertrouwen en Hij zal zijn kinderen een veilig toevluchtsoord bieden. [27] Het eerbiedig ontzag voor de HERE is een bron van leven en helpt dodelijke vallen te ontlopen. [28] Een groot volk geeft een koning aanzien, maar een tekort aan onderdanen leidt tot zijn ondergang. [29] Een geduldig mens geeft blijk van veel verstand, maar een heethoofd zet zichzelf voor schut. [30] Een zuiver hart doet goed aan eigen en andermans leven, maar haat en nijd bederven alles. [31] Wie een arme onderdrukt, raakt ook zijn Schepper. Wie echter hulpbehoevenden steunt, eert Hem. [32] De goddeloze wordt het slachtoffer van zijn eigen kwaad, maar de rechtvaardige gaat zelfs vol vertrouwen de dood in. [33] In het hart van een verstandig mens ligt wijsheid, zelfs dwazen moeten dat erkennen. [34] Als er rechtvaardigheid heerst, wordt een volk geëerd, maar als de zonde hoogtij viert, is dat een schande voor een land. [35] Een verstandige dienaar wordt door de koning goed behandeld, maar als een dienaar zich slecht gedraagt, zal hij de woede van de koning oproepen.
