Spreuken 10:1-32 HTB
[1] De spreuken van Salomo. Een verstandige zoon is een genoegen voor zijn ouders, maar een dwaze zoon doet hun verdriet. [2] Oneerlijk verkregen vermogen levert niets op, maar zijn oprechtheid redt een mens van de dood. [3] De HERE zorgt dat een rechtvaardig mens geen honger lijdt, maar de goddeloze neemt Hij alles af. [4] Iemand die zich niet ten volle inzet, wordt arm. Maar wie zich inspant, wordt rijk. [5] Wie in de zomer zijn oogst binnenhaalt, is een verstandige zoon. Maar de zoon die in de oogsttijd slaapt, maakt zichzelf te schande. [6] Rechtvaardige mensen worden gezegend, goddelozen worden door hun eigen onrecht tot zwijgen gebracht. [7] De nagedachtenis van een rechtvaardige brengt zegen voort, maar van de naam van de goddeloze blijft niets over. [8] Een wijs mens neemt Gods geboden aan, maar de dwaze prater loopt in de val. [9] Wie oprecht leeft, leidt een zeker bestaan, maar wie verkeerde wegen bewandelt, wordt ontdekt en ontmaskerd. [10] Een slinkse boosdoener bezorgt anderen verdriet en een dwaze prater loopt zijn ondergang tegemoet. [11] De woorden van een rechtvaardige zijn een bemoediging, maar goddelozen worden door hun eigen onrecht tot zwijgen gebracht. [12] Haat leidt tot onrust en ruzies, de liefde bedekt echter al het menselijk falen. [13] Op de lippen van een verstandig mens ligt wijsheid, de onverstandige verdient alleen maar straf. [14] Een wijs mens verzamelt steeds meer inzicht, maar de woorden van een dwaas kunnen voortdurend onheil aanrichten. [15] De rijke vertrouwt volledig op zijn bezit, terwijl arme mensen niets hebben. [16] Alles wat een rechtvaardige doet, bezorgt hem voordeel. Wat de goddeloze verdient, leidt tot zijn ondergang. [17] Wie wijze lessen ter harte neemt, loopt op de weg van het leven, maar wie ze in de wind slaat, brengt anderen op een dwaalspoor. [18] Wie heimelijk zijn naaste haat, is schijnheilig in zijn spreken. Wie roddelt, is een zot. [19] Iemand die zijn tong niet in bedwang heeft, zondigt met zijn woorden. Iemand die nadenkt voor hij spreekt, is bedachtzaam en verstandig. [20] De woorden van een rechtvaardige zijn goud waard, die van een goddeloze zijn waardeloos. [21] Van de woorden van een rechtvaardig mens kunnen velen leren, maar dwazen sterven door gebrek aan inzicht. [22] Alleen de zegen van de HERE maakt een mens rijk, niet zijn eigen zwoegen. [23] Zoals een boosdoener genoegen heeft in misdaden, verheugt een verstandig mens zich in wijsheid. [24] Waar de goddeloze bang voor is, gebeurt nog ook. Maar God geeft de rechtvaardigen waar zij naar verlangen. [25] Verzwolgen door een wervelwind zal de goddeloze verdwijnen, de rechtvaardige staat echter op een sterk fundament. [26] Wat azijn is voor de mond en scherpe rook voor de ogen, is een lui mens voor zijn werkgever. [27] Eerbiedig ontzag voor de HERE verlengt uw leven, terwijl de goddelozen jong zullen sterven. [28] De hoop van de rechtvaardigen gaat gepaard met blijdschap, maar de toekomstverwachting van de goddelozen valt in duigen. [29] De oprechte mens put kracht uit wat de HERE doet, maar voor de boosdoener leidt dat tot zijn ondergang. [30] De rechtvaardige mens zal tot in eeuwigheid niet aan het wankelen worden gebracht, maar van de goddelozen blijft niets over. [31] De woorden van een rechtvaardige zijn vol wijsheid, maar de leugenaar wordt vernietigd. [32] De rechtvaardige zal het goede zeggen, maar een goddeloze spreekt alleen slechtheid.
