[1] Een psalm van David voor de koordirigent. Voor Jeduthun. [2] Ik was van plan zorgvuldig te leven en ook in mijn spreken niet te zondigen. Ik wilde mijzelf in bedwang houden, zolang ongelovigen op mij letten. [3] Ik zweeg en sprak geen woord, ik hield mijn mond en zei zelfs geen goede dingen. Mijn zorgen en problemen werden alleen maar groter. [4] Het verteerde mij van binnen. Als ik zuchtte, laaide alles weer op. Toen sprak ik wel. [5] HERE, laat mij toch zien hoe het met mij afloopt, hoelang ik nog te leven heb. Toon mij maar dat ik eigenlijk niets voorstel. [6] Want voor U is mijn leven niet langer dan enkele decimeters. Mijn leven stelt in uw ogen niets voor. Ieder mens is maar een ademtocht. [7] Een mens gaat voorbij als een schaduw, als een zuchtje wind vliegt zijn leven weg. Mensen verzamelen van alles, maar beseffen niet dat anderen het na hun dood zullen nemen. [8] Maar wat heb ik te verwachten, Here? Ik vertrouw geheel op U. [9] Vergeef mij al mijn zonden, laten de dwazen niet over mij spotten. [10] Ik kan niet spreken, ik zeg niets. Want U hebt alles voor mij gedaan. [11] Neem al dit lijden van mij af, ik zal sterven als U Zich tegen mij verzet. [12] Als U iemand straft voor zijn zonden, vergaat alles wat hem tot aanzien bracht, net zoals een mot een kledingstuk vernielt. Een mens is immers niets meer dan een ademtocht. [13] HERE, luister toch naar mijn bidden en hoor mijn smeken om hulp. Blijf niet zwijgen als ik moet huilen, want dan voel ik mij een vreemde bij U. Ver van U zoals mijn voorouders. [14] Neem uw straf van mij af, zodat ik weer blij door het leven kan gaan, voor ik sterf en niet meer zal bestaan.