Job 20:1-29 HTB
[1] Zofar uit Naäma zei: [2] ‘Ik zal snel reageren, want ik ben geschokt. [3] Je beledigt mij met je verwijt en mijn verstand zegt me dat ik daarop moet antwoorden. [4] Je weet toch dat sinds de mens voor het eerst op aarde verscheen, de blijdschap en de vreugde van de goddelozen een kort leven zijn beschoren? [6] Ook al reikt de trots van de goddeloze zo hoog als de hemelen en loopt hij met zijn neus in de lucht, [7] toch zal hij voor eeuwig omkomen en worden weggeworpen zoals zijn uitwerpselen. Zij die hem kenden, zullen zich afvragen waar hij is gebleven. [8] Als een droom zal hij vervagen, als een visioen plotseling verdwijnen. [9] Niemand zal hem ooit terugzien. In zijn woonplaats zullen ze hem zelfs niet eens missen. [10] Zijn kinderen moeten bedelen bij de armen, omdat hij zijn rijkdom is kwijtgeraakt. [11] Al zit de jeugdige levenskracht nog in zijn botten, die verdwijnt samen met hem in het stof. [12] Hij geniet van zijn goddeloosheid, die hij langzaam in zijn mond laat smelten, [13] er zacht op zuigend, bang dat de smaak zal verdwijnen. [14] Maar het voedsel dat hij heeft gegeten, wordt als slangengif in zijn ingewanden. [15] Hij zal de rijkdom die hij opslokte, weer moeten uitbraken. God laat niet toe dat hij het binnenhoudt. [16] Het is een levensgevaarlijk vergif voor hem geworden. [17] Hij zal geen plezier hebben van de dingen die hij heeft gestolen en niet genieten van de stromen olie, honing en room. [18] Zijn inspanningen zullen niet worden beloond, aan de winst van zijn handel zal hij geen plezier beleven. [19] Want hij heeft de armen onderdrukt en hun huizen in beslag genomen, waarop hij geen recht had. [20] Omdat hij van binnen geen rust kent, helpen al zijn schatten hem uiteindelijk niets. [21] Maar als er niets meer is om te stelen, komt een einde aan zijn welvaart. [22] Te midden van zijn overvloed zal hij in moeilijkheden raken en zal het toppunt van ellende hem in het verderf storten. [23] Terwijl hij nog bezig is zijn buik te vullen, zal Gods toorn al op hem neerkomen. [24] Hij zal wegvluchten, maar een pijl zal zijn rug doorboren. [25] De pijl wordt uit zijn lichaam getrokken en de scherpe punt komt uit zijn gal. De angsten van de dood overvallen hem. [26] Zijn schatten zullen verloren gaan in de diepste duisternis. Een laaiend vuur zal zowel hem als zijn goederen verslinden en alles verteren wat hij nog over had. [27] De hemelen zullen zijn zonden openbaar maken en de aarde zal tegen hem getuigen. [28] Zijn rijkdom zal op de dag van Gods toorn in een vloedgolf wegspoelen. [29] Dat is Gods bestemming voor de goddeloze, de erfenis die God hem geeft.’
