[1] ‘Mijn geest is gebroken en ik ben meer dood dan levend, het graf staat al voor mij open. [2] Spotzieke lieden omringen mij en waar ik ook kijk, zie ik hen die mij beledigen. [3] Zal dan niemand mijn onschuld bij God bevestigen? Maar U, mijn God, hebt er toch voor gezorgd dat zij dit niet begrijpen. Och, laat hen niet triomferen! [5] Als iemand zich laat omkopen om zijn vrienden aan te klagen, zullen zijn kinderen blind door het leven gaan. [6] Hij heeft mij tot mikpunt van openlijke spot gemaakt, de mensen spugen mij in het gezicht. [7] Mijn ogen zijn dof van het huilen en ik ben nog maar een schim van wie ik vroeger was. [8] Oprechte mensen staan verbaasd als zij mij zien en de onschuldige keert zich tegen de goddeloze. [9] De rechtvaardigen laten zich niet van de goede weg afbrengen, de mensen met reine harten worden steeds sterker. [10] Maar jullie kunnen mij beter met rust laten, want ik zie onder jullie geen wijs mens. [11] Mijn goede dagen behoren tot het verleden. Mijn verwachtingen zijn niet uitgekomen. Mijn hartenwensen zijn in rook opgegaan. [12] Zij maken van de nacht een dag en zeggen wanneer het donker is: “Het wordt zo weer licht.” Zo verdraaien zij de waarheid. [13] Als ik sterf, ga ik de duisternis in. Het graf is mijn woonplaats. De ontbinding is mijn vader en de wormen mijn moeder en zuster. [15] Waar is mijn hoop dan gebleven? Kan iemand nog enige hoop voor mij ontdekken? [16] Nee, mijn hoop en mijn verwachtingen gaan met mij het graf in. Samen zullen wij in het stof rusten.’