Spreuken 29:1-27 HTB
[1] Een man die ondanks veelvuldige waarschuwingen weigert zijn leven te beteren, komt onverwacht ten val. [2] Wanneer de rechtvaardigen aan de macht komen, voelt het volk zich tevreden, maar onder het bewind van een goddeloze wordt het volk verdrukt. [3] Een vader is blij met een verstandige zoon, maar een hoerenloper jaagt zijn geld erdoor. [4] Een koning houdt zijn land gezond door rechtvaardig te regeren, maar een corrupte koning leidt zijn land naar de ondergang. [5] Iemand die zijn naaste stroop om de mond smeert, misleidt hem. [6] Een boosdoener zit gevangen in zijn eigen kwaad, maar de rechtvaardige leeft blij en zingt van vreugde. [7] Een rechtvaardige rechter spant zich in voor de armen, de goddeloze beseft echter niet dat hij de arme moet helpen. [8] Spotters zijn een schandvlek en een gevaar voor een stad, wijze mensen weten Gods toorn echter af te wenden. [9] Het is zinloos als een verstandig mens een dwaas voor de rechter sleept. Of hij nu vriendelijk is of kwaad, de dwaas is toch niet tot rede te brengen. [10] Bloeddorstige lieden hebben een hekel aan eerlijke mensen, maar oprechten trachten hun leven te redden. [11] Een dwaas schreeuwt van woede, een verstandig mens beheerst zich en komt tot rust. [12] Een leider die naar leugens luistert, heeft goddeloze dienaars. [13] De overeenkomst tussen een arm mens en een machthebber is dat beiden van God het licht in de ogen hebben gekregen. [14] Een koning die de rechten van de arme serieus neemt, is zeker van zijn macht. [15] Straf en berisping leiden tot wijsheid, maar een kind dat aan zichzelf wordt overgelaten, wordt een schande voor zijn ouders. [16] Groeit het aantal goddelozen, dan neemt ook de zonde toe, maar de rechtvaardigen zullen hen overleven. [17] Als u uw zoon bestraft, komt hij goed terecht, hij zal u reden tot blijdschap geven. [18] Als het volk Gods boodschap niet meer hoort, raakt het uit de koers. Gelukkig is hij die naar Gods wet leeft. [19] Een knecht luistert nauwelijks naar berisping. Hij hoort u wel, maar trekt zich er niets van aan. [20] Kent u iemand die onbezonnen spreekt? Zoʼn man is nog dommer dan een dwaas. [21] Als u te goed bent voor een knecht, denkt hij ten slotte dat hij dezelfde rechten heeft als uw zoon. [22] Iemand die snel kwaad wordt, lokt ruzie uit en een opvliegend mens zondigt maar al te gemakkelijk. [23] Hoogmoed komt voor de val, maar een nederig mens wordt gewaardeerd. [24] Wie met een dief de buit deelt, schaadt zichzelf. Hetzelfde geldt voor iemand die een vloek hoort en daar niets van zegt. [25] Angst voor mensen is een valstrik, maar wie op God vertrouwt, is onaantastbaar. [26] Veel mensen verwachten hun heil van hooggeplaatsten, maar de HERE heeft het laatste woord. [27] Een oprecht mens verafschuwt een boosdoener, op zijn beurt heeft de boosdoener een afkeer van mensen die eerlijk leven.
