Spreuken 23:1-35 HTB
[1] Wanneer u bij een hooggeplaatste aan tafel zit, let dan op wat u wordt voorgezet. [2] Beheers u als u een liefhebber van lekker eten bent, [3] laat u niet het hoofd op hol brengen door dat heerlijke eten, want weelde is maar al te verlokkelijk. [4] Doe geen moeite rijk te worden, u kunt uw gaven beter voor iets anders gebruiken. [5] Staar u niet blind op rijkdom, die in feite niets voorstelt. Rijkdom is ook maar vergankelijk. Zoals een vogel opvliegt, kan het weer verdwijnen. [6] Eet niet bij een vrekkig en jaloers mens, staar u niet blind op al zijn heerlijke eten. [7] Hij houdt zijn gedachten voor zichzelf en al nodigt hij u vriendelijk uit, in zijn hart meent hij dat niet. [8] U zou er spijt van krijgen dat u daar gegeten hebt en uw vriendelijke woorden zouden zijn verspild. [9] Praat niet tegen een dwaas, want hij heeft geen enkele waardering voor de wijsheid van uw woorden. [10] Houd u aan de morele grenzen die al van oudsher gelden en blijf van de bezittingen van wezen af. [11] Want God, hun Verlosser, is sterk, Hij zal hen tegen u in bescherming nemen. [12] Open uw hart voor wijze lessen en spits uw oren als er verstandig wordt gesproken. [13] Aarzel niet een jongen te straffen, van een pak slaag gaat hij echt niet dood. [14] Door hem af en toe te straffen kunt u hem voor de ondergang behoeden. [15] Mijn zoon! Reken maar dat ik blij ben als ik zie dat je je verstandig gedraagt. [16] Als ik je oprechte dingen hoor zeggen, zindert de blijdschap door mij heen. [17] Wind je niet op over zondaars, leef voortdurend in eerbiedig ontzag voor de HERE. [18] Want je kunt er zeker van zijn dat je een beloning wacht, je komt niet bedrogen uit als je op God vertrouwt. [19] Luister goed, mijn jongen! Wees verstandig en richt je volledig op Gods wil voor je leven. [20] Houd je afzijdig van drinkebroers en veelvraten, [21] want dat soort mensen staat armoede te wachten, hun roes brengt hen tot de bedelstaf. [22] Luister naar je vader die je heeft verwekt, en kijk niet op je moeder neer, wanneer zij oud geworden is. [23] Maak je de waarheid eigen tot elke prijs en houd haar, koste wat het kost, vast. Hetzelfde geldt voor wijsheid, onderwijzing en verstand. [24] Een rechtvaardige zoon doet zijn vader enorm veel plezier. Wie een wijze zoon krijgt, mag blij en dankbaar zijn. [25] Maak je vader blij en ook je moeder die jou ter wereld bracht. [26] Mijn zoon, stel je hart voor mij open en let goed op hoe ik leef. [27] Want een hoer is een diepe, verraderlijke gracht en een vrouw die niet van jou is, is een smalle put waaruit geen ontsnapping mogelijk is. [28] Als een rover loert zij rond en zij is de oorzaak dat velen God ontrouw worden. [29] Wie klagen steen en been? Wie maken doorlopend ruzie en raken zonder reden verwond? Wie bekijken de wereld door roodomrande ogen? [30] Dat zijn de mensen die zich tot in de kleine uurtjes te buiten gaan aan wijn en sterke drank. [31] Verlang niet naar de wijn, die rood fonkelt en heerlijk geurt in de beker, die drinkt wel heel gemakkelijk, [32] maar bijt uiteindelijk als een slang en spuwt gif als een adder. [33] Dan ga je kijken naar dingen die niet van jou zijn, en je mond zal vuile taal spuien. [34] Je voelt je dan alsof je op een schip bent en alles draait om je heen. [35] Je zult zeggen: ‘Ze hebben me geslagen en op me losgebeukt zonder dat ik iets merkte. Wanneer word ik weer wakker? Ik ben hard toe aan een slokje wijn.’
