[1] Een leerzaam gedicht van David voor de koordirigent. Hij maakte dit nadat de Edomiet Doëg hem aan Saul had verraden met de woorden: ‘David is in het huis van Achimélech.’ [3] Och geweldenaar, waarom denkt u dat het kwade u wel zal helpen? De liefde en goedheid van God houden nooit op en gelden dag en nacht. [4] U bedenkt allerlei kwaad, uw tong is zo scherp als een scheermes. U bent een bedrieger! [5] U geeft de voorkeur aan het kwaad boven het goede. U liegt liever dan dat u de waarheid spreekt. [6] U hoort het liefst slechte taal en een mond die bedriegt. [7] God zal u echter voor eeuwig verderven. Hij zal u uit uw huis wegslepen en een einde aan uw leven maken. [8] De oprechte mensen die het zien, zullen ontzag voor God hebben en zeggen: [9] ‘Kijk, zo vergaat het degene die niet op God vertrouwt, maar denkt dat zijn rijkdom hem wel zal redden. Die rijkdom waardoor hij zich sterk waande, werd zijn ondergang.’ [10] Ik groei echter op als een altijd groene olijfboom in Gods huis. Onophoudelijk vertrouw ik op Gods goedheid en liefdevolle zorg. [11] Ik zal U altijd loven en prijzen, omdat U mij steeds weer redt. Ik verwacht het alleen van U, samen met al uw volgelingen, want uw naam is groot en goed.