[1] Van David, de dienaar van de HERE, voor de koordirigent. [2] De zonde beïnvloedt de goddelozen, ze hebben geen enkel ontzag voor God. [3] De goddeloze denkt heel wat van zichzelf, totdat het zover is dat zijn zonden aan het licht komen. Dan wordt hij een gehaat man. [4] Alles wat hij zegt, is slecht en bedrieglijk. Verstandig en goed handelen is er niet bij. [5] Zelfs in bed bedenkt hij nog allerlei kwaad, hij bevindt zich op de verkeerde weg en stelt zich open voor alles wat slecht is. [6] HERE, uw goedheid en liefde zijn zo groot, uw trouw is oneindig, niet te meten. [7] Uw rechtsgevoel is als de bergen die U Zelf hebt gemaakt. Uw oordeel is als een grote overstroming. U bevrijdt mensen zowel als dieren, HERE. [8] Wat is het geweldig om uw goedheid en liefde te mogen ervaren, HERE! Daarom komen talloze mensen bij U schuilen. [9] Zij genieten van al het goede dat U hun biedt en U overspoelt hen met uw zegeningen. [10] Want U bent de bron van al het leven: als wij in uw licht staan, zien wij de dingen duidelijk. [11] Laten uw volgelingen voortdurend uw goedheid en liefde mogen ervaren en laten de eerlijke mensen mogen delen in uw rechtsgevoel. [12] Zorg toch dat de hoogmoedige geen vat op mij krijgt en de goddeloze mij niet opjaagt. [13] De mensen die slechte dingen doen, zijn gevallen, zij zijn neergeslagen en kunnen nooit meer opstaan!