[1] Prijs de HERE! Dienaren van de HERE, loof zijn naam! [2] U bent immers voortdurend in het huis van de HERE of in de voorhof van het huis van mijn God? [3] Prijs de HERE! De HERE is een goede God. Zing lofliederen voor zijn naam, zijn naam is de liefde zelf. [4] De HERE heeft Jakob uitgekozen en het volk Israël is van Hem. [5] Zeker, ik weet dat de HERE een grote God is, dat onze God de Allerhoogste God is. [6] In de hemel en op aarde, in de diepten van de zee, overal doet de HERE wat Hem goeddunkt. [7] Hij laat ver weg op aarde de damp opstijgen. Hij voegt de bliksem bij de regen en stuurt de wind er op uit vanuit zijn schatkamers. [8] Hij doodde elke eerstgeborene in Egypte, zowel bij de mensen als bij de dieren. [9] Hij deed al die tekenen en wonderen in Egypte voor de farao en zijn dienaren. [10] Hij versloeg grote menigten tegenstanders en doodde machtige koningen, [11] zoals koning Sichon van de Amorieten en koning Og van Basan. Hij veroverde alle koninkrijken in het land Kanaän. [12] Hun land gaf God aan zijn volk Israël. [13] HERE, uw naam blijft tot in eeuwigheid bestaan en alle generaties zullen aan U denken. [14] De HERE is rechtvaardig voor zijn volk, met liefde zorgt Hij voor zijn dienaren. [15] De andere volken maakten eigenhandig hun gouden en zilveren afgodsbeelden. [16] Al hebben die een mond, zij kunnen niets zeggen. Zij hebben ogen, maar zien niets. [17] Zij hebben oren, maar die kunnen niet horen. En ademen kunnen zij helemaal niet. [18] De mensen die die beelden hebben gemaakt en ieder die op die beelden vertrouwt, zullen net als die beelden worden: dood. [19] Laat het hele volk Israël de HERE prijzen. Laat het nageslacht van Aäron de HERE prijzen. [20] Laat het nageslacht van Levi de HERE prijzen. Laat ieder die ontzag heeft voor de HERE, Hem prijzen. [21] Laat de HERE worden geprezen in Jeruzalem. Want Hij woont in Jeruzalem. Prijs de HERE!