Klaagliederen 3:1-66 HTB
[1] Ik heb de ellende gezien die het gevolg was van Gods toorn. [2] Hij heeft mij in de diepste duisternis gebracht en alle licht buitengesloten. [3] Hij heeft Zich tegen mij gekeerd. Dag en nacht rust zijn hand zwaar op mij. [4] Hij heeft mijn vlees en mijn huid oud gemaakt en mijn botten gebroken. [5] Met angst en vertwijfeling heeft Hij mij omringd. [6] Hij begroef mij in duistere plaatsen, net als de allang gestorvenen. [7] Hij heeft mij ingesloten en ik kan niet ontsnappen, met zware ketens heeft Hij mij vastgebonden. [8] Ook al schreeuw en huil ik uit alle macht, Hij wil niet naar mijn gebeden luisteren! [9] Hij heeft mij ingesloten met rondom hoge en gladde muren en mijn paden heeft Hij onbegaanbaar gemaakt. [10] Hij loert als een beer, als een leeuw, wachtend op een gelegenheid om aan te vallen. [11] Hij heeft mij in de val gelokt en met zijn klauwen verscheurd. Bloedend en eenzaam liet Hij mij achter. [12] Hij heeft zijn boog gespannen en mij als doel uitgekozen, [13] de pijlen die Hij afschoot, drongen diep in mijn hart. [14] Mijn eigen landgenoten lachen mij uit, de hele dag door zingen zij hun spotliedjes. [15] Hij heeft mij met bitterheid gevuld en een beker met de grootste ellende te drinken gegeven. [16] Hij liet mij mijn tanden stukbijten op stenen, in de as en het vuil rolde Hij mij. [17] Och HERE, alle vrede en voorspoed zijn lang geleden verdwenen, want U hebt ze weggenomen. Ik weet niet meer wat geluk is. [18] Er is geen hoop meer, mijn kracht is als sneeuw voor de zon verdwenen omdat de HERE mij heeft verlaten. [19] Vaak denk ik aan die bitterheid en het lijden dat U mij hebt toebedeeld! [20] Ik zal deze vreselijke jaren nooit meer vergeten, mijn ziel zal altijd in de diepste droefheid blijven leven. [21] Toch blijf ik hopen, want ik denk: [22] dankzij de goedheid van de HERE zijn wij niet omgekomen. Hij blijft voor ons zorgen en zijn trouw is elke dag weer nieuw. [24] Mijn ziel beschouwt de HERE als mijn erfdeel, daarom verwacht ik alles van Hem. [25] De HERE is wonderbaarlijk goed voor hen die op Hem wachten, voor wie naar Hem zoeken. [26] Het is goed rustig te vertrouwen en te wachten op de hulp van de HERE. [27] Het is goed dat een jonge man discipline wordt bijgebracht. [28] Hij kan rustig in eenzaamheid zitten en zwijgen als God dat van hem vraagt. [29] Dan kan hij zich ook in het stof neerwerpen, misschien is er toch nog hoop. [30] Laat hij zijn andere wang toekeren naar hen die hem slaan en hun vreselijke beledigingen slikken, [31] want de Here zal hem niet voor altijd verstoten. [32] Ook al geeft God hem verdriet, toch zal Hij hem ook met medelijden behandelen als teken van zijn liefdevolle zorg. [33] Want slechts met tegenzin drijft Hij mensen in het nauw en bezorgt Hij hen verdriet. [34] Als de vernederden worden vertrapt, [35] men het recht dat God de mens heeft gegeven, niet in acht neemt [36] en de rechtszaak van de mensen wordt verdraaid, zou de Here dat dan niet zien? [37] Als iemand ergens over spreekt en het gebeurt dan ook, heeft de Here dat dan niet bevolen? [38] Van de Allerhoogste komt immers zowel het kwade als het goede? [39] Waarom zouden wij dan mopperen en klagen als wij worden gestraft voor onze zonden? [40] Laten wij in plaats daarvan onszelf maar eens goed onderzoeken, onze schuld bekennen en terugkeren naar de HERE. [41] Laten we onze harten en handen opheffen naar God in de hemel. [42] En laten wij toegeven dat we hebben gezondigd. Wij zijn in opstand gekomen tegen de HERE en dat heeft Hij ons niet vergeven. [43] U bent vervuld van toorn, HERE, en U hebt ons meedogenloos geslagen. [44] U hebt Uzelf met een wolk afgesloten, zodat onze gebeden U niet kunnen bereiken. [45] U hebt ons gemaakt als pariaʼs en uitschot onder de volken. [46] Onze vijanden hebben dreigende taal tegen ons gesproken. [47] Wij zijn bang, want wij zitten in de val, verlaten en vernietigd zijn wij. [48] Dag en nacht moet ik huilen, omdat de meisjes van mijn volk vernederd zijn. [49] Ik huil onophoudelijk, [50] wanneer zal de HERE vanuit de hemel weer naar ons omzien? [51] Mijn hart breekt als ik zie wat er met de vrouwen uit Jeruzalem gebeurt. [52] Mijn vijanden heb ik nooit kwaad gedaan, toch joegen ze achter mij aan alsof ik een vogel was. [53] Zij gooiden mij in een waterput en bekogelden mij daarna met stenen. [54] Het water reikte tot boven mijn hoofd en ik dacht dat mijn laatste uur had geslagen. [55] Maar vanuit die diepe waterput riep ik uw naam aan, HERE, [56] en U luisterde naar mij! U hoorde mijn smeekbeden en zag mijn tranen! [57] Ja, U kwam toen ik vertwijfeld schreeuwde en U zei mij dat ik niet bang hoefde te zijn. [58] Here, U bent mijn raadsman! Verdedig mijn zaak! Want U hebt mijn leven verlost. [59] U hebt gezien wat een onrecht zij mij aandeden, wees mijn rechter om mijn gelijk te bewijzen. [60] U hebt gezien welke valse plannen mijn vijanden tegen mij smeedden. [61] U hebt gehoord hoe zij mij beledigden, HERE, [62] hoe zij over mij roddelden en fluisterend hun plannen beraamden. [63] Kijk eens hoe zij lachen en zingen en mij in hun lied belachelijk maken. [64] Och HERE, vergeld toch al het kwaad dat zij mij hebben aangedaan. [65] Vervloek hen en maak hen wanhopig, HERE. [66] Zet een felle achtervolging op hen in en vaag hen weg onder de hemel van de HERE.
