Job 36:1-33 HTB
[1] Elihu vervolgde: [2] ‘Heb nog even geduld, dan zal ik verder gaan. Want ik ben nog niet klaar met God te verdedigen! [3] Ik zal u enkele wijsheden uit een ver verleden geven, die de rechtvaardigheid van mijn Schepper aantonen. [4] Ik vertel u de waarheid, want ik ben een man met feilloos inzicht. [5] God is almachtig en toch heeft Hij van niemand een afkeer! Zijn begrip en inzicht zijn volmaakt. [6] Hij houdt de goddelozen niet in leven, maar geeft aan de onderdrukten hun rechten. [7] De goede mensen negeert Hij niet, maar Hij verhoogt hen door hun een plaats te geven op eeuwige, koninklijke tronen. [8] Als zij in moeilijkheden komen, tot slaaf worden gemaakt en er ellendig aan toe zijn, [9] gebruikt Hij die moeilijkheden om hen erop te wijzen dat zij hebben gezondigd en zich te hoogmoedig hebben gedragen. [10] Hij maakt dat zij luisteren naar zijn woord en berouw hebben over hun zonden. [11] Als zij luisteren en Hem gehoorzamen, zullen zij worden gezegend met een gelukkig en voorspoedig leven. [12] Als zij niet naar Hem willen luisteren, zullen zij ten onder gaan en sterven door hun gebrek aan gezond verstand. [13] De goddelozen hebben haatgevoelens in hun hart. Zelfs als Hij hen vastbindt, roepen ze niet naar Hem om hulp. [14] Zij sterven jong, na een leven van ontucht en verdorvenheid. [15] Hij redt degenen die lijden en spreekt tot hen in hun ellende. [16] Zo wil Hij ook u uit de nood uitleiden naar een ruime plaats zonder beperkingen, naar een tafel vol heerlijke gerechten. [17] Maar nu wordt u beheerst door uw haatgevoelens over de goddelozen. U bent helemaal in de ban van rechtvaardigheid en oordeel. [18] Pas op dat niemand u door rijkdom of omkoping verleidt. [19] Zou uw rijkdom of uw machtige inspanning u voldoende steun kunnen geven en u uit de nood helpen? [20] Verlang niet naar de nacht die volken wegsleurt van hun plaats. [21] Laat het kwaad links liggen, want God bracht u deze ellende om ervoor te zorgen dat u niet in een slecht leven verviel. [22] Kijk, God is almachtig. Kent u een betere leermeester dan Hij? [23] Wie durft Hem wetten voor te schrijven of te zeggen dat wat Hij doet verkeerd is? [24] Nee, u kunt Hem beter prijzen om zijn machtige daden, waarvan mensen hebben gezongen! [25] Iedereen heeft deze machtige daden gezien en er van een afstand met verwondering naar gekeken. [26] God is zo groot dat wij ons van Hem geen voorstelling kunnen maken. Niemand kan een begrip als “eeuwigheid” bevatten. [27] Hij vangt de waterdruppels op en zeeft ze als regen uit de damp. [28] Zo valt de regen uit de wolken naar beneden op de mensheid. [29] Wie begrijpt iets van de wolkenformaties en van de donderslagen die er doorheen dreunen? [30] Kijk eens hoe Hij het licht om Zich heen verspreidt en hoe Hij een deken legt over de diepten van de oceanen. [31] Zo oordeelt Hij over de volken, zo geeft Hij de mensen voedsel in overvloed. [32] In zijn handen houdt Hij de bliksemschichten en op bevel stuurt Hij elk ervan naar een bepaald doel. [33] In de donder voelen wij zijn aanwezigheid naderen. Hij strijdt tegen het onrecht.’
