[1] Ten slotte verbrak Job het stilzwijgen en vervloekte de dag van zijn geboorte. [2] ‘Vervloekt is de dag waarop ik werd geboren,’ zei hij, ‘en ook de nacht waarin men zei: “We hebben een zoon!” [4] Laat die dag voor altijd worden vergeten. Laat hem in de eeuwige duisternis verdwijnen, laat God die dag vergeten. [5] Ja, laat de duisternis hem maar opslokken, hem overschaduwen met een donkere wolk en laat de zwartheid zijn licht overheersen. [6] Laat hem maar van de kalender verdwijnen, zodat hij nooit meer wordt beschouwd als een dag van die maand in dat jaar! [7] Laat het een doodse en vreugdeloze nacht zijn. [8] Laten de geoefende vervloekers, die het zelfs wagen het zeemonster Leviatan op te hitsen, hem maar vervloeken. [9] Laat de sterren van die nacht verdwijnen en laat hem verlangen naar het morgenlicht zonder het ooit te zien. [10] Vervloek hem, omdat hij mijn moeders schoot niet gesloten hield en mij geboren liet worden, zodat ik nu al deze ellende met mijn eigen ogen moet zien. [11] Waarom ben ik niet dood ter wereld gekomen of tijdens de geboorte gestorven? [12] Waarom hebben knieën mij opgewacht, waarom borsten om mij te voeden? [13] Was ik maar bij mijn geboorte gestorven, dan zou ik nu van de rust genieten [14] en zou ik in vrede liggen naast koningen en machthebbers die paleizen bouwden die nu in puin liggen, en naast vorsten die ooit schatkamers vol zilver en goud bezaten. [16] Och, was ik maar een miskraam geweest, een kind dat nooit het levenslicht zag. [17] Want in de dood maken de goddelozen geen moeilijkheden meer en hebben de vermoeiden rust. [18] Daar komen zelfs de gevangenen tot rust, omdat er geen gevangenbewaarder is die hen dwarszit. [19] Rijk en arm zijn daar gelijk en de slaaf is daar uiteindelijk vrij van zijn meester. [20] Waarom geeft God ongelukkigen licht en bedroefden leven, terwijl zij verlangen naar een dood die maar niet komen wil? Zij zoeken die dood meer dan verborgen schatten. [22] Wat een vreugdevolle bevrijding als zij ten slotte toch sterven. [23] Waarom laat God iemand geboren worden wiens leven uitzichtloos is, voor wie geen ontsnapping mogelijk is? [24] Ik kan niet eten, want mijn keel zit dicht van het zuchten, mijn klachten vloeien als water over mijn lippen. [25] Wat ik altijd heb gevreesd, is nu gebeurd. [26] Ik vind geen vrede en geen stilte, rust ken ik niet, alleen ellende.’