Job 29:1-25 HTB
[1] Job vervolgde: [2] ‘Och, was het nog maar zoals vroeger, toen God mij beschermde, [3] toen Hij de weg voor mij verlichtte en ik veilig door het donker kon lopen. [4] Ja, zoals in mijn jongere jaren, toen in mijn huis de vertrouwelijke omgang met God voelbaar was, [5] toen de Almachtige nog dicht bij mij was en ik mijn kinderen om mij heen had, [6] toen mijn zaken goed liepen en er room in overvloed was en de rots stromen olijfolie voor mij opleverde! [7] In die tijd liep ik nog naar de stadspoort en nam daar mijn plaats in tussen de gerespecteerde leiders. [8] De jongeren zagen mij en deden een stap opzij en zelfs de ouderen gingen uit eerbied voor mij staan. [9] Vooraanstaande mensen zwegen wanneer ik sprak en namen aan wat ik zei. [10] Zelfs de hoogste ambtenaren in de stad bewaarden het stilzwijgen. [11] Allen luisterden graag naar wat ik zei. Ieder die mij zag, sprak goed van mij. [12] Want ik hielp als eerlijke rechter de armen in hun nood en de vaderloze kinderen, die verder niemand hadden om hen te helpen. [13] Ik werd gezegend door de stervenden die ik terzijde stond, weduwen maakte ik weer blij. [14] Alles wat ik deed, was oprecht en eerlijk, want ik hulde mij in rechtvaardigheid! [15] Ik diende als ogen voor de blinde en als voeten voor de verlamde. [16] Ik was als een vader voor de armen en ik kwam op voor de rechten van vreemdelingen. [17] Ik sloeg de slagtanden van goddeloze onderdrukkers uit en dwong hen hun slachtoffers met rust te laten. [18] Ik dacht: “Ik sterf vast en zeker een rustige dood in mijn eigen vertrouwde omgeving, na een lang en goed leven. [19] De dauw zal de hele nacht op mijn takken liggen en ze voorzien van water. [20] Steeds opnieuw zal men mij lof toezwaaien en steeds weer zal ik nieuwe energie ontvangen om met gemak mijn boog te spannen.” [21] Iedereen luisterde naar mij en stelde prijs op mijn advies. Als ik sprak, zweeg iedereen vol verwachting. [22] Als ik was uitgesproken, zeiden zij niets meer, want mijn woorden bevredigden hen. [23] Zij verlangden naar mijn uitspraken, zoals mensen in de droge tijd naar regen verlangen. Met open mond vingen zij mijn woorden op als waren die een lenteregen. [24] Als zij de moed lieten zakken, lachte ik hen toe en dat gaf hun weer nieuwe moed. Mijn opgewektheid betekende veel voor hen. [25] Ik gaf richting aan hun leven en trad onder hen op als leider, als een koning die zijn leger bevelen geeft en als iemand die de rouwenden troost.’
