Job 13:1-27 HTB
[1] ‘Veel van de dingen die jullie beschreven, heb ik met eigen ogen zien gebeuren, met mijn oren heb ik ervan gehoord. [2] Ik weet evenveel als jullie. Ik kan mij met jullie meten. [3] Och, wat verlang ik ernaar rechtstreeks met de Almachtige te spreken. Ik wil dit alles met God Zelf bespreken. [4] Want jullie proberen mij leugens aan te praten. Jullie zijn een stelletje kwakzalvers. [5] Houd je alsjeblieft stil! Dat zou meer getuigen van wijsheid. [6] Luister nu maar eens naar mij, naar mijn argumenten en pleidooi. [7] Blijven jullie net doen alsof jullie namens God spreken, hoewel Hij nooit de dingen heeft gezegd die jullie Hem in de mond leggen? [8] Zou God willen dat jullie Hem helpen door de waarheid voor Hem te verdraaien? [9] Dachten jullie dat hij jullie niet doorheeft? Of denken jullie soms dat God net zo gemakkelijk te bedriegen is als de mensen? [10] Hij zal jullie zeker terechtwijzen als je stiekem partijdig bent. [11] Geeft zijn majesteit je geen angstig gevoel in het hart? Maakt zijn grootheid jullie niet heel klein? [12] Die prachtige uitspraken die jullie deden, hebben evenveel waarde als as. Jullie verdediging is zo breekbaar als aardewerk! [13] Wees nu eens stil en laat mij eens wat zeggen, wat de gevolgen van mijn uitspraken ook mogen zijn. [14] Waarom denken jullie dat ik mijn leven in eigen hand neem en zeg wat ik denk? [15] God zou mij kunnen doden om wat ik zeg en eigenlijk verwacht ik ook dat Hij dat zal doen. Toch wil ik mijn zaak met Hem bespreken. [16] Ik heb daarbij het voordeel dat ik niet goddeloos ben, anders zou ik niet eens in zijn nabijheid kunnen komen. [17] Luister goed naar wat ik ga zeggen en laat mij uitspreken. [18] Mijn rechtszaak is zo goed als geregeld: ik weet dat ik in mijn recht sta. [19] Wie is dat niet met mij eens? Als je zou kunnen aantonen dat ik mij vergis, zou ik mijzelf niet verder verdedigen en liever meteen sterven. [20] O God, ik smeek U om twee dingen, alleen dan zal ik in staat zijn U onder ogen te komen. [21] Trek uw hand van mij terug en jaag mij geen angst aan voor uw oordeel. [22] Roep mij bij U en U zult zien hoe snel ik zal antwoorden. Of laat mij met U praten en U een antwoord geven. [23] Zeg mij toch wat ik precies verkeerd heb gedaan. Maak mij duidelijk wat mijn zonde is! [24] Waarom verbergt U Zich voor mij? Waarom houdt U mij voor een vijand? [25] Wilt U een weggewaaid blad opjagen of een droge strohalm vervolgen? [26] U beschuldigt mij van kwade dingen en haalt alle zonden uit mijn jeugd weer naar boven. [27] U sluit mij op, U gaat al mijn gangen na en beperkt mij in mijn bewegingsvrijheid. En dat bij iemand die toch al van binnen rot is en vergaat als een door motten aangevreten mantel.’
