[1] ‘Zij zullen zeggen: “Kom, laten we teruggaan naar de HERE. Hij heeft ons verscheurd, Hij zal ons ook genezen. Hij heeft ons geslagen, Hij zal ook onze wonden verbinden. [2] Hij zal ons na twee dagen weer overeind helpen en op de derde dag zullen wij, weer helemaal opgeknapt, met Hem leven. [3] Ja, wij verlangen naar de HERE en Hij zal daarop reageren, zo zeker als de komst van dauw of regen in het vroege voorjaar.” [4] Wat zal Ik met u doen, Israël en Juda? Want uw liefde verdwijnt als wolken in de morgen en verdampt als dauw in de vroege ochtend. [5] Ik stuurde mijn profeten om u te waarschuwen voor uw ondergang. Ik heb u harde klappen toegebracht met mijn woorden en met de dood bedreigd. Onverwacht werd u getroffen door mijn veroordeling, als door een plotseling doorbrekend licht. [6] Ik wil uw offers niet, Ik wil uw liefde. Ik hoef uw brandoffers niet, Ik wil dat u Mij kent. [7] Maar u bent net als Adam: u hebt mijn verbond verbroken en bent Mij zo ontrouw geworden. [8] De bewoners van Gilead zijn misdadigers, de stad is vol bloedsporen. [9] Zij zijn als een bende bandieten die loert op slachtoffers. Troepen priesters plegen moorden op de weg naar Sichem en bedrijven schandelijke misdaden. [10] Ik heb in Israël iets afschuwelijks gezien: Israël liep afgoden achterna en werd zo verontreinigd. [11] Ook u, Juda, zult uw straf nog oogsten. En Ik wilde u zo graag bevrijden!’