1 Kronieken 2:1-55 HTB

[1] De zonen van Israël waren Ruben, Simeon, Levi, Juda, Issachar, Zebulon, Dan, Jozef, Benjamin, Naftali, Gad en Aser. [3] Juda kreeg drie zonen bij Bath-Sua, een meisje uit Kanaän: Er, Onan en Sela. Zijn oudste zoon Er was echter zo goddeloos dat de HERE hem doodde. [4] Toen werden Ers weduwe Tamar en haar schoonvader Juda ouders van de tweeling Peres en Zerach. Zo had Juda in totaal vijf zonen. [5] De zonen van Peres waren Hezron en Hamul. [6] De vijf zonen van Zerach waren Zimri, Ethan, Heman, Kalkol en Dara. [7] Achar, de zoon van Karmi, was de man die zich toeëigende wat van de HERE was en daardoor zijn volksgenoten grote moeilijkheden bezorgde. [8] Ethan had slechts één zoon, Azarja. [9] De zonen van Hezron waren Jerachmeël, Ram en Kelubai. [10] Ram was de vader van Amminadab en Amminadab was de vader van Nachson, een leider van Israël. [11] Nachson was de vader van Salma en Salma was de vader van Boaz. [12] Boaz was de vader van Obed en Obed was op zijn beurt de vader van Isaï. [13] Isaïʼs eerste zoon was Eliab, zijn tweede zoon was Abinadab, zijn derde Simea, [14] zijn vierde Netanel, zijn vijfde Raddai, [15] zijn zesde Ozem en zijn zevende zoon was David. [16] Hun zusters waren Zeruja en Abigaïl. Zerujaʼs drie zonen waren Abisaï, Joab en Asaël. [17] Abigaïl was getrouwd met een zekere Jether uit het geslacht van Ismaël, haar zoon was Amasa. [18] Hezrons zoon Kaleb had twee vrouwen, Azuba en Jerioth. Dit waren hun zonen: Jeser, Sobab en Ardon. [19] Na de dood van Azuba trouwde Kaleb met Efrat en bij haar kreeg hij een zoon, die zij Hur noemden. [20] Hurs zoon was Uri en Uriʼs zoon was Besaleël. [21] Hezron trouwde toen hij zestig jaar was met Machirs dochter en zij bracht een zoon ter wereld: Segub. Machir was tevens de vader van Gilead. [22] Segub was de vader van Jaïr, die drieëntwintig steden in het gebied Gilead in bezit had. [23] Maar Gesur en Aram namen hem die steden af, evenals Kenat met de zestig omliggende dorpen. [24] Kort na de dood van Hezron, in Kaleb-Efrata, baarde zijn vrouw Abia Ashur, de vader van Tekoa. [25] Dit waren de zonen van Jerachmeël, de oudste zoon van Hezron: Ram, de oudste, Buna, Oren, Ozem en Ahia. [26] Jerachmeëls tweede vrouw Atara was de moeder van Onam. [27] De zonen van Ram waren Maäz, Jamin en Eker. [28] Onams zonen waren Sammai en Jada. Sammai ʼs zonen waren Nadab en Abisur. [29] De zonen van Abisur en zijn vrouw Abihaïl waren Achban en Molid. [30] Nadabs zonen waren Seled en Appaïm. Seled stierf kinderloos, [31] maar Appaïm had een zoon, Jiseï genaamd. Jiseïʼs zoon heette Sesan en Sesans zoon was Achlai. [32] Sammaiʼs broer Jada had twee zonen, Jether en Jonathan. Jether stierf kinderloos, [33] maar Jonathan had twee zonen, Pelet en Zaza. [34] Sesan had geen zonen, maar wel enkele dochters. Eén van zijn dochters huwelijkte hij uit aan zijn Egyptische dienaar Jarha. [35] Zij kregen een zoon, die zij Attai noemden. [36] Attaiʼs zoon was Nathan, Nathans zoon was Zabad, [37] Zabads zoon was Eflal, Eflals zoon was Obed, [38] Obeds zoon was Jehu, Jehuʼs zoon was Azarja, [39] Azarjaʼs zoon was Helez, Helezʼ zoon was Elasa, [40] Elasaʼs zoon was Sismai, Sismaiʼs zoon was Sallum, [41] Sallums zoon was Jekamja en Jekamjaʼs zoon was Elisama. [42] De oudste zoon van Kaleb, Jerachmeëls broer, was Mesa, hij was de vader van Zif, die op zijn beurt de vader van Maresa was. Deze Maresa was de vader van Hebron. [43] De zonen van Hebron waren Korach, Tappuah, Rekem en Sema. [44] Sema was de vader van Raham, die op zijn beurt de vader van Jorkeam was. Rekem was de vader van Sammai. [45] Sammaiʼs zoon was Maon, de vader van Bet-Zur. [46] Kalebs bijvrouw Efa bracht Haran, Moza en Gazez ter wereld. Haran had een zoon, die eveneens Gazez heette. [47] De zonen van Johdai waren Regem, Jotham, Gesan, Pelet, Efa en Saäf. [48] Een andere bijvrouw van Kaleb, Maächa, bracht de volgende zonen ter wereld: Seber, Tirhana, Saäf, de vader van Madmanna, en Seva, de vader van Machbena en Gibea. Kaleb had ook een dochter, die Achsa heette. [50] De zonen van Hur, de oudste zoon van Kaleb en Efrata, waren: Sobal, de vader van Kirjat-Jearim, [51] Salma, de vader van Bethlehem, en Haref, de vader van Bet-Gader. [52] Sobal, de vader van Kirjat-Jearim, had een zoon, Haroë genaamd, de voorvader van de halve stam van Menuchoth. [53] De families van Kirjat-Jearim waren: de Jethrieten, de Puthieten, de Sumathieten en de Misraïeten, van wie de Zorathieten en de Esthaolieten afstammen. [54] De nakomelingen van Salma waren de familie van Bethlehem, de Netofathieten, de inwoners van Atroth-Bet-Joab, de helft van de Manathieten en de Zorieten, [55] hiertoe behoorden ook de families van de schrijvers die in Jabez woonden: de Tirathieten, de Simeathieten en de Suchathieten. Al deze mensen behoren tot de Kenieten, die afstamden van Hamath, de stamvader van het huis Rechab.

About this translation

Het Boek 2007 - Dutch cover
Het Boek 2007 - Dutch $5.99
Life Bible app icon
Get the Life Bible app Read offline, sync highlights and notes, and study with your library on any device.